Sociale Driegeleding
Sociale Driegeleding is een beweging, die er naar streeft het maatschappelijk leven in drie autonome geledingen te herordenen. Zij onderscheidt in de maatschappij drie levenssferen:
1. het geestesleven (cultuur),
2. het rechtsleven,
3. het economisch leven.
Voor ieder van deze levensgebieden geldt volgens de denkbeelden van de Sociale Driegeleding een eigen ordenend principe. Er werden en worden pogingen ondernomen om deze visie te ontwikkelen en in praktijk te brengen.
Naar de denkbeelden van de Sociale Driegeleding is het voor een gezonde maatschappelijke structuur nodig in de samenleving, zowel in het groot als het klein, drie gebieden te onderscheiden:
- het cultureel leven waartoe o.m. religie, wetenschap, kunsten, en opvoeding gerekend worden;
- het rechtsleven met o.m. zijn wetten, regels en afspraken;
- het economisch leven met productie, distributie en consumptie ter bevrediging van menselijke behoeften.
Ieder van deze gebieden heeft een zelfstandige ruimte nodig om zich gezond te kunnen ontwikkelen; ieder volgens zijn eigen specifiek ordeningsprincipe.
Het cultureel leven moet zich in vrijheid kunnen ontwikkelen; in het rechtsleven is gelijkheid noodzakelijk; en in het economische leven zou broederlijkheid (in plaats van concurrentie) de richtinggevende kwaliteit moeten zijn. Geen van de drie gebieden mag een ander gebied domineren, terwijl zij in de praktijk toch vervlochten zijn.
In de Sociale Driegeleding wordt de concrete beleidsvorming open gelaten. Zij legt zich niet bij voorbaat vast op een inhoudelijk partijprogramma of in een politieke partij. Naar gelang de maatschappelijke ontwikkelingen wordt aan de praktijk telkens weer opnieuw vorm gegeven.
BekijkÂ
hier in onze linksectie de toepassing in België
BekijkÂ
hier enkele voorbeelden van literatuur
Â
« L'anthroposophie est un chemin de connaissance qui voudrait conduire le spirituel en l'être humain au spirituel en l'univers. Elle apparaît comme un besoin du cœur et du sentiment. Elle doit trouver sa justification dans le fait qu'elle est en mesure de donner satisfaction à ce besoin. Seul peut reconnaître le bien-fondé de l'anthroposophie celui qui trouve en elle ce qu'il est pour lui une nécessité de chercher à partir de son propre être intérieur. Ne peuvent de ce fait être anthroposophes que des hommes qui éprouvent certaines questions sur l'essence de l'homme et sur le monde comme une nécessité vitale, de même que l'on éprouve la faim et la soif. »
Rudolf Steiner, 1924, in Les Lignes directrices de l'anthroposophie §1, GA 26